Kantoor

  • Zakelijk telefoneren in het Frans

    Een afspraak maken over de telefoon. Voor jou als management assistent dagelijkse kost. Maar wat als er een Franstalige persoon aan de lijn hangt? Met deze tips en uitdrukkingen maak je meteen een goede indruk.

    1.  Geef een reden waarom je een afspraak wil maken.

    Gebruik zinnen zoals:

    Ik bel in verband met onze afspraak van volgende week.
    Je vous appelle dans le cadre de notre rendez-vous de la semaine prochaine

    Ik bel voor een afspraak met mevrouw Somers.
    Je vous téléphone pour fixer un rendez-vous avec Mme Somers.

    2. Spreek een datum, tijdstip en plaats af.

    Gebruik zinnen zoals:

    Wanneer zou het u passen?
    Quel moment préférez-vous ?

    Wanneer komt het u uit?
    Quelle date vous convient le mieux ?

    Om hoe laat zou het u het best passen?
    Quelle heure vous arrange le mieux ?

    3. Indien nodig, stel zelf een dag, uur, enz. voor als alternatief.

    Gebruik zinnen zoals:

    Het spijt me, ik ben op dat moment bezet. Wat vindt u van 13 uur?
    Je suis désolé, je ne suis pas libre à ce moment-là. Que diriez-vous de 13 heures ?

    Donderdag om 10.30 uur? Dat zal helaas niet mogelijk zijn. Wat dacht u van de week  nadien?
    Jeudi à 10 h 30 ? Ce n’est malheureusement pas possible. Que diriez-vous de la semaine suivante ?

    Is 14 uur goed voor u?
    Est-ce que 14 heures vous convient ?

    Past 18 uur?
    18 heures, cela vous convient ?              

    4. Denk er aan om altijd datum, uur en plaats te bevestigen alvorens het gesprek te beëindigen.

    Gebruik zinnen zoals:

    OK. Tot vrijdag om 9 uur in mijn kantoor.
    OK. À vendredi 9 heures dans mon bureau.

    Zoals afgesproken.
    Comme convenu.

    Afgesproken.
    Entendu.             

    5. Als je de persoon met wie je praat kent, maak het telefoongesprek dan iets persoonlijker. Je kan misschien vragen hoe het met hem/haar is, je kan over het weer iets zeggen, ...

    Omdat je in dit geval de andere persoon kent, is het beter om hem/haar met "je" aan te spreken, dan met "u".

    Enkele voorbeelden:

    Hoe is het met je?
    Comment vas-tu ?

    Hoe was je vakantie? / Heb je een fijne vakantie gehad?
    Comment se sont passées tes vacances ? / As-tu passé de bonnes vacances ?

    Hoe is het weer daar bij jou in Parijs?
    Quel temps fait-il chez toi à Paris ?

    Je telefoonetiquette bijschaven in het Nederlands, Frans, Engels of Duits?
    ElaN Languages to the rescue!